1.
1 is het station in Santarem, 2 is waar ik ongeveer woon, 3 is de land weg van Santarem naar mijn dorp, 4 is het huis van mijn vrienden.

2.
1 is waar de Taag hoort te lopen, 2 is een voorstadje van Santarem en stond 2 dagen geleden voor de helft onder water, 3 is de heuvel waar Santarem op is gebouwd, 4 is Almerim en je ziet dat tussen dat stadje en de Taag ook heel ver landerijen blank staan.

3.
1 is het station van Santarem, 2 is waar mijn huis staat, 3 is het dorp waar ik woon.

