De uitgebloeide aren (kaarden) werden vroeger als een soort kam gebruikt om wol te kaarden zodat het geheel makkelijk tot een dikke gelijkmatige draad kon worden gesponnen.
Langs de bloeistengel zijn de paarsgewijze stengelbladeren aan de voet vergroeid tot een trechtervormig bekken waarin zich regenwater kan verzamelen. Het nut voor de plant zelf is niet zo duidelijk maar andere organismen maken hier soms dankbaar gebruik van. De Latijnse geslachtsnaam Dipsacus betekent zoiets als drinkbeker of dorstlesser.
De zaden van de Grote Kaardenbol worden graag gegeten door Putters.
De Kleine Kaardenbol is in tegenstelling tot wat de benaming doet vermoeden vaak hoger maar zeker bossiger vertakt dan de Grote Kaardenbol. De naam duidt dan ook niet op de totale plant maar op de "kaarden" welke kleiner en ronder zijn dan die bij de Grote Kaardenbol.
Ook is de Kleine Kaardenbol een stuk zeldzamer.

