1. 
2.
3.
Het polsstokverspringen bestaat uit verschillende technieken. De aanloop en insprong. Het klimmen in de stok, de polsstok over het 'dooie' punt brengen, nog zo hoog mogelijk verder klimmen en dan de afsprong in het zandbed. Na de aanloop moet de polsstok niet te langzaam of te snel over het 'dooie' punt heen zijn. Té langzaam betekent een "nat" sprong. De deelnemers moeten dan de stok loslaten en een nat pak halen in de sloot. De kans bestaat dat ze anders op de schans terecht komen. De meeloper op de schans geeft ook aan of hij/zij 'moet' loslaten. Gaat de polsstok te snel over het "dooie'' punt heen dan krijgen de springers te weinig tijd om helemaal naar het einde van de stok te klimmen, met als gevolg dat de afsprong eerder is en de gesprongen afstand tegenvalt...

2.

3.

Het polsstokverspringen bestaat uit verschillende technieken. De aanloop en insprong. Het klimmen in de stok, de polsstok over het 'dooie' punt brengen, nog zo hoog mogelijk verder klimmen en dan de afsprong in het zandbed. Na de aanloop moet de polsstok niet te langzaam of te snel over het 'dooie' punt heen zijn. Té langzaam betekent een "nat" sprong. De deelnemers moeten dan de stok loslaten en een nat pak halen in de sloot. De kans bestaat dat ze anders op de schans terecht komen. De meeloper op de schans geeft ook aan of hij/zij 'moet' loslaten. Gaat de polsstok te snel over het "dooie'' punt heen dan krijgen de springers te weinig tijd om helemaal naar het einde van de stok te klimmen, met als gevolg dat de afsprong eerder is en de gesprongen afstand tegenvalt...
